Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Alarmisten

Och bevende alarmisten,
Och pruiken, podagristen,
Och ouwe–wijven–kliek,
Och nare leuterkousen,
Och bankroetiers en smousen,
Je malen maakt me ziek.

Je duffe conversatie
Is éne lamentatie,
En nergens zie je licht;
Je snatert en je stottert,
Je steunt en stikt en stottert….
’t Is wat een vies gezicht!

Gedaalde metallieken,
Failliete republieken,
D’ effectenhoek vol vrees;
De kooplui in perikel,
Heel de aard op een karikel,
De wereld op de sjees!

Het mensdom op zijn endje,
Veel kinderen en – geen centje
Verdiensten op ’t kantoor:
De hele boel in ’t honderd,
En half Euroop geplonderd –
Dat ’s alles wat ik hoor!

Wie naar je praat wil luisteren,
Die ziet de zon verduisteren,
Die weet niet, wat hij ziet,
En zou zijn mooiste zaken
Terstond aan kant gaan maken,
Of stuurt ze recht – in ’t riet!

Die zou zich dood gaan kniezen,
En al zijn geld verliezen
Uit zuinigheid alleen;
Die laat zijn kroost verhongeren,
En foetert op de jongeren,
Die spotten op hem heen!

Die ziet, owaai! de Fransen
Al in zijn keuken dansen,
De meid tot déjeuné;
Die ’s nergens op zijn aise,
Die hoort een Marseillaise
In ’t lied van Isabé!

Die ziet in al zijn zonen
Al tijger–aardjes wonen
En kleine Louis Blanc’s:
Die ’s bang voor Balinezen,
Die durft geen krant meer lezen,
Maar kijkt er rillend langs!

Met al die bange wezels,
Die kwezels en die ezels,
Wie drommel, weet er raad?
Al trekken zich die Joppen
De haren uit hun koppen,
Ik weet niet of het baat!

Maar handen uit de mouwen,
Couragie en vertrouwen
En wat gezond verstand!
De mens leeft om te hopen…
En ’t zal zo’n vaart niet lopen:
’t Leit immers op zijn kant?

Ook ik beken het gaarn:
Wat onze tijden baren
Is ver van amusant,
’t Is vreselijk en ’t is ijselijk,
’t Is schriklijk en afgrijselijk…
En ik heb ook het land!

Maar ’t ergst van alle plagen,
Zijn toch in onze dagen
Die kennissen van Job!
Het zijn je die meneren,
Die steeds jeremiëren,
Die altijd lamenteren,
Die ’t weinigs goeds negeren
En eeuwig redeneren
Als kippen zonder kop!

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

De Genestet was een protestantse (remonstrantse) dominee. Hij schreef dit hekeldicht tegen angstzaaiers in 1848, toen een revolutionaire wind door Europa waaide en overal achtergestelde burgers hun rechten opeisten en aandrongen op liberalisatie en inperking van de oude macht. In veel landen kwam het tot onlusten, ook in Nederland, maar hier minder dan bijvoorbeeld in Frankrijk. De Genestet hekelt de angsthazen, die bang zijn hun rijkdom en privileges te verliezen en angst aanwakkeren onder hun medeburgers. Hij schaart zichzelf overigens aan de kant van conservatieven, vindt de onrust ook maar niets, maar hij denkt dat het zo’n vaart niet zal lopen. In Nederland bleef het uiteindelijk rustig, want in reactie op de onlusten voerde Thorbecke een nieuwe grondwet in, waarin de macht van koning Willem II werd ingeperkt, de burgerrechten werden uitgebreid en de joden en katholieken, die achtergesteld waren gebleven, definitief werden gelijkgeschakeld aan protestanten. Opvallend genoeg hekelt De Genestet in zijn gedicht specifiek de angsthazen onder de katholieken (kwezels) en de joden (kennissen van Job).