Tegen landen, streken en hun bewoners

Op de tweedracht der Christen-prinsen

De Christen-prinsen zitten vast
Malkander in ’t haar;
Gans Christenrijk vervalt in last,
En ’t uiterste gevaar,
Als ’t schip, dat met gekerfde mast
Fluks schipbreuk lijden zal,
En drijft naar lager wal.

De felle Turk, die Christus kruist,
Ziet ons krakelen aan;
D’ erfvijand lacht nu in zijn vuist,
En hoopt den klauw te slaan,
Van bloed geverfd, van stof begruisd,
In ’t hart van ’t blind gevecht,
Dat hij ’t geschil beslecht.

Zo ’t hem gelukken mag naar wens,
Met zijnen woesten hoop,
Dat hij ’s geloofs verzwakte grens
Op ’t ongezienste sloop’,
En velle en vill’ zo menig mens;
Help God! wat zal ’t een dag
Van rouw zijn en beklag!

Gelijk een ingeborsten stroom,
Zal ’t ingelaten heir
Verdrinken al den Duitschen boôm,
En bruisen als een meer,
En spoelen den bebloeden toom
Te Keulen in den Rijn,
Die zal zijn wedde zijn.

Zelfs d’ andere wereld, daar men met
Den hoofde nederwaart,
De voeten tegens d’ onze zet,
Zal horen, al vervaard,
Hoe wij, door ’t zwaard van Mahomet,
Gevallen zijn, ten spot
Der vijanden van God.

Dan voelt men, hoe men heeft gefaald,
En uit den burgertwist
En brand verdoemden roof gehaald,
En wolven opgehitst
Naar Kristus’ schaapskooi: dan betaalt
Men zelf zijn eigen roe,
En schreit en zucht zich moe.

O Jezus, keer dit voorspook af,
Verdrijf die duistre wolk;
Herplant veeleer op ’t Heilig Graf,
Door uw gelovig volk,
Den Turken tot gerechte straf,
De standaard van uw naam,
Opdat zich d’ afgrond schaam’.

Opdat die bloedhond, ieders vloek,
Met ingetrokken staart,
Gelijk een rekel Mekka zoek’,
En aan zijn eigen haard,
In enen onverlichten hoek,
Zich uitstrek’ naar zijn lust,
En late uw rijk in rust!

Joost van den Vondel (1587-1679)

Toelichting: de vijandigheden tussen christenen en moslims in Europa waren in de 17e eeuw groter dan nu. In de 17e eeuw drong het grote Turkse rijk westwaarts en noordwaarts op tot Oostenrijk. Vondel was erg bang voor de Turken en schreef meerdere gedichten gericht tegen hun opmars.